feb 252010
 

Ik dacht: het is vakantie, dus misschien moet de Zoete Inval een keer voor de kids zijn: samen pannekoeken bakken. Grote Mensen met wijn enzo op spattechnisch veilige afstand…

(Zoete Inval: de donderdagen zijn Max en ik altijd de hele dag samen en komen ‘savonds vrienden langs om te eten.)

feb 242010
 

Zes weken op weg en al drie keer gevraagd om mijn verhaal te komen doen – “om mensen te inspireren”, “om ze out of the box te laten denken”. Streel mijn ego, kom maar op, dit is waar ik het voor doe.

Mijn tweede optreden als Officieel Geldloze Freak blijkt bedoeld als onderdeel van de voorbereiding van studenten voor deelname aan WACAP: de conferentie van de World Alliance of Cities Against Poverty.

Oeps.

Daar gaat m’n ego. Ik ben leuk aan het spelen maar het oplossen van armoede is nooit uitgangspunt geweest, laat staan dat ik me zou durven verplaatsen in de positie van benadeelden in onze samenleving. Zie de post over toegang.

Ze willen me toch voor het voetlicht halen: het gaat om het re-framen van het probleem. Tja… re-frame is my middle name. Ik geef mijn workshop ten beste, voor 16 jonge mensen uit Kameroen, Nepal, Mexico, Nederland, Duitsland, Kenia, Sri Lanka, Ethiopie en Bangladesh. Ik begin met het verwoorden van mijn respect: ik voel me gepriviligeerd om drie kwartier te mogen werken met zo’n diverse en internationale groep. En ik haast me te vertellen dat ik nog nooit armoede gekend heb…

Wat ik doe in zo’n sessie is niet vertellen maar vragen: “Stel je voor: wat zou je doen als je mocht kiezen? Los van geld of baan.” “Wat doe je nu?” “Hoe zou het voelen?” “Wat zou er met de wereld gebeuren als meer mensen dat zouden doen?”
Ze aarzelen. Waar wil ze heen met ons?
Dan komen reacties die me houvast bieden: “soms wil iemand medicijnen studeren, maar de ouders ondersteunen hun kind financieel alleen als het rechten zal studeren. Dan studeert het rechten.” Een architecte: “ik zou graag duurzame sociale woningbouw ontwerpen, maar als er geen opdracht voor gegeven wordt, dan kan ik er niet aan werken.”

Mijn eigen, reële positie in dit gedachten-experiment verklap ik pas aan het eind. In het diepe van ontwikkelingsproblematiek gegooid, merk ik dat ik er voor moet waken niet in de verdediging te schieten: “ja jongens, natuurlijk snap ik dat ik dit vooral kan doen, omdat ik in Nederland woon.” Maar ze vallen me niet aan, en ze hebben met me meegedacht over het effect van geldstromen. Doel bereikt.

Toch be-eindig ik de sessie met het gevoel that I bit of more than I could chew – en ik benadruk opnieuw m’n nederigheid en dat ik geenzins denk een oplossing te hebben voor zo iets groots als armoede.

http://www.wacap2010-rotterdam.nl/

feb 192010
 

Kort na middernacht, de laatste twee hangen op de bank aan het einde van de donderdagse dinner-party:

Marten: “Gaat het goed met je?”
Caro: “Ja, ik ben blij. Maar de grootste uitdaging zit toch tussen mijn oren. Niet in het praktische… Jij weet zelf – zo jong als je bent – hoe het is om zelfstandig ondernemer te zijn.”
Marten: “Ja. Fucking scary.”
[We lachen.]

Referentie:

Erich Fromm (1941). “Escape from Freedom”. New York: Holt, Rinehart & Winston.

Zie voor een toelichting van zijn denken:

http://de.wikipedia.org/wiki/Erich_Fromm

of

http://en.wikipedia.org/wiki/Erich_Fromm

feb 172010
 

Soms zit ik op mijn knieën met een mes oude verf van de vloer te krabben. Dat is dan mijn werk. Mensen komen de winkel in en gaan weer, we groeten. Weten zij wie ik ben? Ik kijk door hun ogen naar mezelf en realiseer me hoe senang ik me voel. Deemoedigende klussen maken me niet onzeker over wie ik ben of wat ik kan. Want het is in balans: soms gaat het over de vloer schrobben in een oud biologisch winkeltje, en soms over adviezen formuleren in glanzende hotels.

Tijdens de voorbereidingen van een jaar zonder geld zag ik mijn werkende bestaand openen als een waaier. Ik combineerde toen al drie dagen universiteit met mama zijn en twee uur lesgeven op een sportschool, maar nu werd mijn portfolio ineens echt divers. Daar werd ik blij van: ik ben geen mens om vijf dagen per week hetzelfde te doen, in ongeveer de dezelfde modus (zoals achter een computer). Ik geniet intens van mijn bonte verzameling aan taken: mama, wetenschapper, instructeur, adviseur, kellner, educatief ontwerper, pr-vrouw, ondernemer…

Het doet me denken aan “Walden Two”, een beschrijving van een utopie door B.F. Skinner, (overigens een grootheid uit de psychologie)… waarin het normaal is dat iedereen zowel met zijn hoofd als met zijn handen werkt. Het één wordt ook niet beter betaald dan het andere.

Referentie:

B.F. Skinner (1948). Walden Two. Indianapolis: Hackett Publishing Company.

http://en.wikipedia.org/wiki/Walden_Two

feb 102010
 

“Maar…. wat doe je dan?”

In mijn antwoord op die vraag kom ik steevast op een een punt waar ik vertel over mijn verbazing hoe leuk ik mijn ‘nodige portfolio’ vind: de projecten die ik doe om in mijn onderhoud te voorzien. Dat ik weliswaar hoop om ook nog tijd over te houden voor pro deo projecten (dat was immers de aanleiding voor mijn experiment), maar dat zelfs als ik alleen maar toe zou komen aan m’n ruilprojecten, ik een erg gaaf jaar ga hebben.

Verbazing want: dat is toch maar mazzel, dat de projecten die je doet om te kunnen overleven, ook leuk en verrijkend zijn.

(Bijvoorbeeld: het project dat ik doe met de biologische winkel – het opzetten van een cafeetje-in-de-winkel – is iets waar ik al jaren geleden over kon lopen dagdromen. En het project voor het lokale restaurant – het ontwikkelen van educatie voor buurtkinderen, over lokale voedselproductie en stadslandbouw – sluit naadloos aan bij mijn professionele ontwikkeling naar actie-onderzoeker en dus het trainen van mijn vaardigheden om met groepen te werken.)

Deze week snapte ik ineens dat het geen toeval is.

Hier is een ander selectiemechanisme aan het werk: voor mijn “levensbehoeftes” ben ik afgestapt op bronnen die ik leuk vind; mensen die me inspireren. Van alle partijen die in mijn behoeftes zouden kunnen voorzien, heb ik steeds dìe uitgekozen die me lagen. Dat werkt blijkbaar: op serendipische wijze vulde mijn portfolio zich met projecten die mijn partners en ik bijzonder mooi vinden.

Kaethe, onze logee tijdens het Internationale Theater Festival, had het al begrepen. Ze zei: door jouw verhaal voel ik me aangemoedigd om te kiezen voor projecten met mensen die ik gaaf vind, ook als ik daarvoor meer rendabele of prestigieuze projecten laat liggen.

Het lijkt wel of, als je met mensen gaat werken die je gaaf vindt, de mooie inhoud en de vergoeding vanzelf volgen…

Andere voorbeelden die de werking van relaties illustreren:

In actie-onderzoek staat of valt elk project met het opbouwen van een relatie met de community waar het project zich afspeelt. (In klassiek wetenschappelijk onderzoek – “normal science”wordt je als onderzoeker juist geacht je afzijdig te houden: je verzamelt je data en trekt je weer terug.)

Een fotojournalist vertelt me hoe hij werkt: “natuurlijk maak ik mooie plaatjes, maar mensen zijn enthousiast nog voordat ze maar een foto gezien hebben. Dat komt omdat ik met ze praat, en wil weten wat hun verhaal is. Ik wil snappen waarom ik die foto maak. Dat voelen ze.” Hij hoeft niet te acquireren, en geniet van zijn opdrachten.

feb 022010
 

Wat ik merk in een leven zonder geld is dat ik me rijk voel door toegang.

Bij toegang dacht ik meestal aan zoiets als het cliché “toegang tot Internet”, en het thuis te hebben geeft mij inderdaad een groot gevoel van ruimte om te ontdekken, om mijn projecten te doen, om te communiceren. Toegang tot wetenschappelijke literatuur maakt dat ik consultancy kan blijven doen. Toegang tot mijn netwerk van vrienden (niet te koop en niet te ruil) hoef ik denk ik niet uit te leggen. Toegang tot een netwerk van slimme mensen die in mijn stad bezig zijn met duurzaamheid (via the Hub) geeft me moed en inspiratie. Maar nu voel ik me vrij en rijk door een veel concretere vorm van toegang – ik bedoel het heel fysiek: waar mag ik zijn, geld of geen geld. Buiten, binnen.

Ik heb: toegang tot mijn sportschool; toegang tot mijn tangoschool… Daar heen mogen gaan om te genieten. Er mogen zijn. Dat doet veel met me. De bieb: ook zonder abonnement mag je daar lekker zitten. En ik merkte medio januari dat ik één uitgave vergeten was in het rijtje van uitgaven die ik in 2010 bewust wèl doe: de Speeldernis voor Max. Voor 25 Euro hebben we een jaar lang de tuin van zijn dromen inclusief de nabijheid van speelkameraardje tot onze beschikking. De waarde daarvan overstijgt die 25 Euro ver. En toen ontdekte ik er nog één, nog een toegang die ik graag wilde hebben.

De laatste weken was ik – geheel serendipisch – vier of vijf keer op finissages en vernissages in galeries en musea. (Ik, cultuurbarbaar, zoende een fotograaf en liet me willig meevoeren in zijn wereld.) Maar wat ik ervoer was dat musea een waardevolle uitbreiding van mijn openbare ruimte werden. Een soort indoor parken: zoals ik me kan laven aan frisse lucht en bomen en grassprieten onder mijn voeten, merk ik dat ik me ook kan laven aan de creatieve expressie van andere mensen. Dat ik het heerlijk vind om rond te lopen in hun wondere wereld. Ik vroeg om een MuseumJaarKaart, en kreeg er twee.

Het museum Boijmans van Beuningen is op woensdag voor iedereen gratis toegankelijk.

Het museum Boijmans van Beuningen is op woensdag voor iedereen gratis toegankelijk.

Referentie:

In zijn boek “The Age of Access” (2000) beschrijft Jeremy Rifkin vooral het veronderstelde belang van toegang tot spullen en diensten. Dat soort toegang wordt zeker ook belangrijker in een leven zonder geld: als ik een boor nodig heb dan leen ik hem van de buurman, in plaats van zelf te kopen. Maar ik voel ook een contrast met hetgene hij beschrijft: het soort toegang dat ik hierboven beschrijf gaat meer over toegang tot ervaringen, meer of minder sociaal van aard, die maken dat ik me kan ontspannen en opladen.